SCP: Allochtonen lopen leerachterstand in
Door Emiel Elgersma en Frederike Schelling
(artikel uit januari 2006)
De laatste jaren wordt de leerachterstand van allochtonen leerlingen steeds kleiner ten opzichten van hun autochtonen leeftijdsgenoten. Vooral de Turkse en Marokkaanse leerlingen zijn met een inhaalslag bezig. In 1988 deed maar 20 procent van de allochtonen tussen 15-64 jaar een vervolg studie na de basisschool. In 2002 was dat al gestegen naar 50 procent. Dat vermeldt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het rapport ‘In het zicht van de toekomst’ uit 2004. Niet alleen het mbo krijgt steeds meer allochtonen, maar ook bij havo en vwo neemt het aantal allochtonen langzaam toe. Ondanks deze stijgende lijn is de achterstand van allochtonen nog erg groot. Een groot deel van de minderheden in Nederland heeft geen diploma van het voortgezet onderwijs en ook in taal lopen ze nog ver achter. Allochtonen meisjes hebben hun achterstand op jongens van hun eigen herkomst inmiddels wel ingehaald.
Het Vader Rijn College in Utrecht is een zwarte school in de Utrechtse wijk Overvecht. Van de 700 leerling is meer dan 85 procent allochtoon. Het grootste gedeelte van de leerlingen is van Marokaanse en Turkse afkomst. Wim van Ruitenbeek werkt al negen jaar bij deze school. Als schoolopleider begeleidt hij nieuwe leraren en geeft nog drie uur per week les in een time-out project waar kinderen die tijdelijk niet goed functioneren worden opgevangen. Volgens hem is de school een afspiegeling van de wijk. Het gedrag van witte en zwarte leerlingen is gelijk. ‘Alleen de omgevingen waarin de kinderen naast school in opgroeien is anders. De cultuur, opvoeding en sfeer.’
‘Het Vader Rijn College is een extreem inovatieve school geworden, omdat we anders onze leerlingen niet berijken’, vertelt van Ruitenbeek. Reden voor de veranderingen waren hoge absentiecijfers en slechte aansluiting met de Regionale Opleidings Centra’s (ROC). Door de leerlingen meer vrijheid te geven moeten ze zelfstandiger werken en krijgen ze meer zelfverantwoording. Hierdoor is het contrast als ze doorstromen naar het ROC minder groot en hebben ze daar een grotere kans van slagen. Om de absentiecijfers te laten dalen heeft de school een time-out project opgezet. De leerlingen worden nu niet meer meteen van school gestuurd, maar krijgen nog een kans in de ‘tussenklas’. In dit project wordt er niet alleen gekeken naar school resultaten maar ook naar problemen buiten school. Per jaar zijn er 10 a 15 leerlingen die nog van school gaan. Een andere reden voor de lage uitstroom is de selectie aan de poort. ‘Kinderen met CITO-scores die laag zijn (…) worden buiten de deur gehouden.’ Ook oudere leerlingen die al een mislukt traject hebben gehad worden niet meer binnen gelaten. Als zij in het derde jaar willen instromen en ouder dan 16 jaar en 8 maanden zijn, worden doorgestuurd naar het ROC. Daar zijn ze dan oud genoeg voor.
Taalproblemen komen ook op het Vader Rijn College voor. Voor leerlingen met een taalachterstand zijn er speciale klassen. Drie keer per jaar organiseerd de school een speciale contactavond met ouders. ‘Dat werkt heel simpel. Je zet de deur open en nodigt alle ouders uit. Vervolgens zeg je: “Jij bent Turks, jij gaat met die Turkse collega mee.”’ Op die avond worden er allerlei onderwerpen besproken, bijvoorbeeld over opvoeding, taal en loverboys.
Het verschil tussen de prestaties van jongens en meisjes is volgens van Ruitenbeek is te verklaren doordat ‘ouders de prestaties van meisjes meer in de gaten houden’. Ook is het een soort vlucht van de meisjes. ‘Als je als meisje thuis komt en je hebt geen huiswerk, dan zegt moeder: “Ga maar boodschappen doen. Ga maar het huis schoonmaken.” En als je nou huiswerk hebt, zeg je: “Ik heb huiswerk”. Als jongens thuis komen, hoeven die geen reet te doen. Het is een hele andere sociale controle.’ Maar de motivatie is in algemene zin wel toegenomen. Iedereen is zich er van bewust dat je tegenwoordig zonder diploma niet meer aan een baan komt.