Sporten en bewegen op school tegen overgewicht
“Leerlingen krijgen twee keer per week 50 minuten gymles, dat is met omkleden erbij”, vertelt docent lichamelijke opvoeding Bos. Hij is fulltime leraar aan de Louis Bouwmeesterschool in Amsterdam Slotervaart. De 100 minuten per week komen net iets boven het gemiddelde van de Nederlandse basisscholen. Dit ligt op 90 minuten gymles per week, zo blijkt uit de tussenrapportage van de Tijdelijke Commissie Brede Analyse die onderzoek doet naar sport en beweging rondom school.
Toch is de Louis Bouwmeesterschool geen gemiddelde school. In 2005 ontving ze de titel ‘Sportiefste school van Nederland’ vanwege de dagelijkse sportactiviteiten waar leerlingen aan mee kunnen doen. Hierdoor voldoet de school als een van de weinige in het land aan de wens van het kabinet om elke dag sport op school aan te bieden. “Elke dag wordt er van alles aangeboden. Judo, tennis, basketbal.” Het aanbod is onderdeel van het JUMP-in programma, een samenwerking van Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling en de GGD in Amsterdam om kinderen meer te laten bewegen.
Volgens de initiatiefnemers van JUMP-in zijn kinderen de laatste jaren ongezonder gaan eten en bewegen ze te weinig. Bos licht toe: “Het probleem is dat tijdens een excursie een kind voor het eerst een boom in klimt. Niet elke wijk heeft een speelveld.” Kinderen gaan veel minder naar buiten. “Er is heel veel in huis, zoals de computer en al dat gedoe.” Ook denkt hij dat er “een Febo en McDonalds-cultuur zeker aanwezig is”.
De meeste scholen bieden graag meer bewegingslessen aan in de strijd tegen niets doen en overgewicht. Ze zien het als hun opvoedkundige taak, volgens JUMP-in. De docent lichamelijke opvoeding is het daar mee eens. “Hoe kan je naast de gymlessen een kind stimuleren te bewegen? We moeten het vak promoten. Daardoor hopen we kinderen te laten bewegen en dat ze er op latere leeftijd niet mee stoppen.”
De school biedt in samenwerking met de verenigingen en subsidie van de gemeente elke dag verschillende sporten aan. “Ik had niet verwacht dat het zo storm zou lopen.” Voor de kinderen is het laagdrempelig. Ze kunnen direct vanuit school gaan sporten. “Het kind waar je het niet van verwacht gaat plots op judo.” Zo hebben de sportverenigingen in de buurt ook baat bij het JUMP-in-project.
“Het kind van de ontwikkelde ouders gaat wel snel naar een club toe”, aldus Bos. Dit blijkt ook uit het onderzoek van de Tijdelijke Commissie Brede Analyse. Vier op de vijf basisschoolleerlingen is lid van een sportvereniging. Maar dit percentage wordt in achterstandswijken en kinderen van allochtonen ouders niet snel gehaald. Dit geldt ook voor leerlingen van de Louis Bouwmeesterschool. “Bij de ouders gaat het sporten nu ook steeds meer leven. Er komt meer besef. Ze vragen: Is de basketbalclub alweer begonnen? Ook vinden ze steeds vaker de weg naar subsidies.”
Naast de sportactiviteiten na schooltijd heeft JUMP-in nog twee andere manieren ontwikkeld om leerlingen te laten bewegen. ‘De klas beweegt!’ is een kalender voor in de klas met beweegoefeningen. “De kinderen moeten bijvoorbeeld allemaal op een stoel gaan staan, of hun klasgenoot masseren”, aldus Bos. Deze oefeningen doorbreken de les en zorgen er voor dat de leerlingen even ontspannen.
Binnenkort gaat de school ook aan de slag met het leerlingvolgsysteem van JUMP-in. Een leerling wordt hierbij gevolgd op het gebied van z’n sport- en beweeggedrag. Bos: “Een kind dat zwaarlijvig is worden extra gestimuleerd. Als ze niet meer bij de lessen komen, gaat er een brief naar de ouders.”